Probeer demo →Start gratis →
← Journal
Achter het Gedrag· Stefan van de Brug ·4 min lezen

Hoe herken je overprikkeling in de les

Niet druk, maar vol — waarom overprikkeling er soms uitziet als onwil.

Vorig jaar had ik een leerling — ik noem hem hier Nora, want het was een meisje van dertien — die halverwege elke les een soort muur raakte. Niet zichtbaar, niet dramatisch. Ze speelde gewoon steeds iets minder precies, maakte fouten die ze eerder niet maakte, keek naar haar handen alsof ze haar eigen vingers niet meer herkende. En dan, na een minuut of twee, sloeg ze haar ogen neer en zei: “ik weet het even niet meer.”

Ik dacht eerst dat ze het niet genoeg oefende thuis. Later dacht ik dat het concentratie was, of slaaptekort. Maar op een dag besloot ik gewoon niets te doen — ik zette de metronoom uit, zei dat we even stopten, en vroeg hoe het ging. Ze keek me aan alsof dat een onverwachte vraag was. En toen zei ze: “het wordt gewoon te veel, het geluid en het denken tegelijk.”

Ze had het de hele tijd al gezegd. Alleen niet met woorden.


Overprikkeling in de muziekles heeft een gezicht dat niet altijd overeenkomt met het plaatje dat we in ons hoofd hebben. We denken aan uitbarstingen, aan tranen, aan een kind dat met zijn armen over elkaar gaat zitten. Maar vaak is het stiller. Het is de leerling die trager wordt in plaats van sneller. Die ineens meer fouten maakt op een stuk dat hij al kende. Die wegkijkt, of een grapje maakt, of gaat friemelen aan zijn instrument.

Wat me helpt is kijken naar het verschil tussen het begin en het midden van de les. Elke leerling heeft een bepaald ritme: even opstarten, dan openen, dan werken. Als dat ritme ergens breekt — als de energie niet stijgt maar plotseling daalt — dan is er iets aan de hand. Niet noodzakelijk overprikkeling. Maar het is een signaal dat de vraag stelt.


Muziek is sensorisch zwaar. Dat vergeten we als docent, omdat we er zo aan gewend zijn. Maar voor een leerling die gevoelig is voor geluid, beweging, visuele informatie of sociale druk, is een muziekles een omgeving vol prikkels die constant om aandacht vragen. De klank van het instrument. De tikken van de metronoom. Mijn stem. De feedback die ik geef. De noten op papier. Het gevoel van de stokken, de snaren, de toetsen. Het bewustzijn van de eigen lichaamspositie.

Al die kanalen tegelijk.

En dan vraag ik ook nog: speel dit stuk eens, let op je houding, tel mee en let ook op de overgang naar de brug.

Voor sommige leerlingen is dat een normale opdracht. Voor anderen is het een overbelasting van een systeem dat al op het randje zit.


Het moment dat ik echt iets veranderde in mijn manier van werken, was toen ik me realiseerde dat overprikkeling geen persoonlijkheidstrek is maar een toestand. Nora was niet iemand die snel overprikkeld raakt als kenmerk — ze raakte overprikkeld op dit moment, in deze les, na twintig minuten intensief werken aan een ingewikkeld stuk met veel nieuwe informatie.

Dat onderscheid maakt iets los. Want een toestand kun je beïnvloeden.

Ik begon te letten op de informatiedichtheid van mijn instructies. Hoeveel geef ik tegelijk? Ik begon stiltes in te bouwen — niet als verloren tijd maar als verwerkingsruimte. Ik begon te variëren: na iets nieuws en intensiefs, iets bekends en makkelijks. Niet als beloning, maar als ademruimte.

En ik begon te vragen. Niet “snap je het?” — want dat is een vraag die nee als antwoord blokkeert — maar: “hoe voelt het nu?” Of gewoon: “even pauze?”


Wat me opviel: leerlingen die gevoelig zijn voor overprikkeling, weten dat vaak zelf. Ze hebben alleen geleerd dat het niet mag worden gezegd. Dat je gewoon door moet. Dat het hun probleem is, niet het probleem van de les. Ze hebben strategieën ontwikkeld om het te verbergen — grappig zijn, afgeleid zijn, stoppen met proberen — omdat dat minder gezichtsverlies kost dan zeggen: ik zit vol.

Nora zei me dit maanden later, toen we erover praatten. “Ik dacht dat je zou denken dat ik het niet leuk vond.”

Ze vond het hartstikke leuk. Ze wilde niets liever dan goed worden. Ze was gewoon vol.


Er is geen methode die dit oplost. Geen checklist met vijf stappen. Wat er wel is, is een manier van kijken die je traint. Je leert het gedrag niet alleen op de oppervlakte lezen — die leerling doet moeilijk, die leerling let niet op — maar je begint te vragen: wat zou er onder zitten? Is dit onwil, of is dit een systeem dat niet meer kan?

Dat is een ander soort aandacht. En het kost iets — je eigen verwachtingen over hoe de les zou moeten gaan, even loslaten.

Ik vraag me weleens af: hoeveel leerlingen zijn ooit gestopt met muziek omdat een docent dacht dat ze het niet wilden, terwijl ze eigenlijk gewoon vol zaten?

Een leerling die stopt met proberen is niet lui. Hij is vol.