Zelfvertrouwen bouw je niet met complimenten
Wat een leerling echt nodig heeft om zichzelf te gaan vertrouwen.
Een meisje van twaalf, al een jaar bij me in de les, vertelde me op een dag dat ze het niet snapte. Ze speelde haar stuk foutloos voor. Echt foutloos — alles zat erin. Ik zei: dat klonk goed. Ze keek me aan en zei: maar ik voel me er niet goed bij.
Dat zat me de rest van de dag dwars.
Want ik had haar dat kwartaal al tientallen keren een compliment gegeven. Goed zo. Netjes. Je hebt goed geoefend, dat hoor je. En ze geloofde er geen woord van. Niet omdat ze koket deed, maar omdat ze wist dat complimenten goedkoop zijn. Ze had al snel door dat ik ze uitdeelde als de les goed verliep. Ze waren meer een weersrapport dan een oordeel.
Wat ik sindsdien beter begrijp: zelfvertrouwen wordt niet opgebouwd door wat anderen je toeroepen. Het wordt opgebouwd door wat jij zelf meemaakt. Door te ontdekken dat je iets wat moeilijk was, nu makkelijker vindt. Door een stuk dat vorige week vastliep, deze week door te spelen. Door het gevoel van voor en na, en te weten dat jij het verschil hebt gemaakt.
Dat klinkt voor de hand liggend. Maar in de lespraktijk gaan we er vaak vanuit dat een leerling die laag bij de grond zit, opgepept moet worden. Bemoedigen, aanmoedigen, complimenten. Alsof het probleem een tekort aan positieve woorden is.
Het probleem is bijna nooit dat. Het probleem is een tekort aan bewijsmateriaal.
Een leerling die zichzelf niet vertrouwt, heeft geen argument. Ze zegt: ik kan het niet. En dan geef ik haar een tegenbewijs dat ze zelf niet heeft bedacht. Dat werkt niet. Ze trekt haar conclusie op basis van haar eigen ervaringen, en zolang die ervaringen haar niet overtuigen, overtuig ik haar ook niet.
De vraag is dus: hoe zorg ik dat ze zelf bewijs verzamelt?
Dat vraagt om een andere aanpak dan bemoedigen. Het vraagt om taakjes die net moeilijk genoeg zijn. Die niet in één keer lukken, maar in twee of drie wel. Die klein genoeg zijn om echt af te ronden, groot genoeg om iets te betekenen. En het vraagt om dat je haar laat merken dat ze het zelf heeft gedaan. Niet: goed zo, maar: je hoorde zelf dat het klopte, toch?
Er is ook iets subtielers aan de hand bij leerlingen die veel complimenten hebben gekregen. Ze zijn er afhankelijk van geworden. Ze oefenen voor het gevoel dat ze erna krijgen als ze iets goed laten horen. Niet omdat ze nieuwsgierig zijn naar wat ze kunnen, maar omdat ze weten dat er een beloning wacht. En zodra die beloning uitblijft — bij een strenge examinator, in een nieuwe groep, in een situatie waar niemand klapt — is er niets meer om op terug te vallen.
Dat is precies het omgekeerde van zelfvertrouwen. Het is goedkeuringsafhankelijkheid.
Ik ben daarom voorzichtiger geworden met complimenten. Niet spaarzamer — ik zeg nog steeds wanneer iets goed klinkt. Maar ik probeer ze te richten. Niet: dat klonk mooi. Maar: je loste die overgang op, hoor je dat? Die zat vorige week nog vast. Dat is een constatering, geen beoordeling. En het geeft haar iets wat ze kan vasthouden als ik er niet bij ben.
Het verschil is klein maar het is er. Een compliment zegt wat ik vind. Een constatering zegt wat zij heeft gedaan.
Dat meisje van twaalf speelt er nog steeds. Ze is inmiddels veertien. Ze maakt nog steeds fouten, speelt nog steeds soms twijfelachtig, maar ze begint haar eigen oordeel te vertrouwen. Soms zegt ze zelf: die overgang gaat nog niet goed, ik moet die thuis langzamer oefenen. Dat is niet iets wat ik haar heb geleerd. Dat is iets wat ze heeft afgeleid uit wat ze heeft meegemaakt.
Ze heeft bewijs verzameld.
Ik vraag me af hoeveel leerlingen bij jou hun lessen verlaten met meer hoop dan bewijs.
Zelfvertrouwen is geen gevoel dat je geeft. Het is een conclusie die een leerling zelf trekt.