Wat perfectionisme met muziekplezier doet
Waarom de leerling die het hardst zijn best doet, soms het minst geniet.
Miriam speelde de intro van het stuk al voor de zevende keer. Niet omdat ze het niet kende, maar omdat ze in de vierde maat één noot net niet goed vond. Ze stopte precies op diezelfde plek, haalde adem, begon opnieuw. Toen ik zei dat het klonk, keek ze me aan alsof ik haar iets ongemakkelijks had aangedaan. “Maar het was niet goed,” zei ze.
Ze speelde gitaar al drie jaar. Haar techniek was solide. Ze kon het stuk. Maar ze had het, voor zover ik kon zien, nog nooit van begin tot eind gespeeld zonder zichzelf te onderbreken.
Dat is het moment waarop ik besefte dat we niet bezig waren met muziek maken. We waren bezig met fouten vermijden. Dat klinkt hetzelfde, maar het is het tegenovergestelde.
Perfectionisme in de lespraktijk ziet er op het eerste gezicht uit als ijver. De leerling oefent, wil het goed doen, legt de lat hoog. Docenten — en ouders — interpreteren dat al snel positief. Maar er is een subtiel verschil tussen een leerling die nauwkeurig wil spelen en een leerling die het zichzelf niet gunt om niet nauwkeurig te zijn.
De eerste leert iets. De tweede controleert zichzelf.
Wat ik bij Miriam herkende, en daarna bij anderen: het plezier in het spelen zelf was er niet meer. Of liever: het was er wel, maar alleen als alles klopte. En omdat alles nooit helemaal klopte, was het plezier er eigenlijk nooit. Elke les eindigde met een gevoel van tekortkomen, hoe goed ze ook had gespeeld.
Er is iets paradoxaals aan perfectionisme in muziek. Muziek heeft fouten nodig. Niet als doel, maar als onderdeel van het leerproces, als onderdeel van het uitvoeren, als onderdeel van wat het menselijk maakt. Een opname zonder één imperfectie klinkt steriliseerd. Een live optreden zonder spanning bestaat niet. Fouten zijn niet het tegendeel van goed spelen — ze zijn er ingebakken.
Maar voor een perfectionistische leerling is elke fout bewijs van iets. Bewijs dat het niet goed genoeg was, dat de voorbereiding faalde, dat ze zichzelf heeft teleurgesteld. De fout heeft een betekenis gekregen die hij niet verdient.
Dat betekenisgeef-systeem kom je niet los door gewoon door te spelen. Het zit in hoe de leerling zichzelf beoordeelt, niet in hoe goed ze technisch is.
Ik vroeg Miriam op een dag: wanneer was de laatste keer dat je gewoon speelde, zonder te denken of het goed was?
Ze moest lang nadenken. “Vroeger,” zei ze uiteindelijk. “Toen ik net begon.”
Dat raakte me. Want dat is precies wanneer muziek het diepst zit — in het begin, als het nog spelen heet en niet oefenen. Ergens in de jaren daarna was er een omslag gekomen. Oefenen was iets geworden wat moest, wat beoordeeld werd, wat resultaat moest opleveren. En daar, in die druk, was het plezier weggesijpeld.
Ik hoor docenten soms zeggen: ik haal hem er wel doorheen. Maar doorheen wat? Als de leerling aan de andere kant staat en de muziek heeft afgeleerd te voelen, is dat geen succes.
Wat ik probeer te doen bij leerlingen die zichzelf vastrijden: de relatie met het stuk veranderen. Niet het stuk beter laten spelen, maar anders laten horen. Een losse improvisatie op dezelfde akkoorden. Het stuk eens expres slecht spelen, zo slordig mogelijk, en kijken wat er dan voelt. De opname terugluisteren zonder commentaar, alleen om te horen wat er is, niet wat er ontbreekt.
Dat is geen therapie. Het is gewoon muziek maken op een manier die de controle-reflex even buitenspel zet.
Het helpt niet altijd. Sommige leerlingen zijn zo gewend aan zichzelf beoordelen dat ze ook de oefening gaan beoordelen. Dan gaan ze de slechte versie niet slecht genoeg vinden. Dan vinden ze de improvisatie niet creatief genoeg. Dan hoor ik ze de opname bekritiseren terwijl ze hem terugluisteren.
Maar soms — af en toe — klikt er iets. En dan zie je een leerling voor het eerst in weken gewoon spelen.
Miriam en ik hadden een keer een les waarbij ik zei: vandaag tellen fouten niet. Speel het stuk van begin tot eind, wat er ook gebeurt. Ze deed het. Ze stopte even bij dezelfde maat, maar speelde door. Aan het einde keek ze op.
“Dat was raar,” zei ze.
“Klonk het?”
Ze dacht even na. “Ja.”
“Dan was het genoeg.”
Ik weet niet of het iets heeft veranderd op de lange termijn. Maar er was iets in haar gezicht op dat moment — iets wat ik de weken daarvoor niet had gezien. Geen opluchting over een perfecte uitvoering. Gewoon even rust.
Ik denk soms aan wat er met leerlingen als Miriam zou zijn als niemand had ingegrepen. Niet dramatisch — ze zouden waarschijnlijk gewoon op een dag gestopt zijn. Te veel druk, te weinig voldoening, een andere hobby die minder pijn deed.
En dan zou niemand geweten hebben dat het niet de muziek was die hen de das omdeed. Het was het beeld dat ze van zichzelf hadden gemaakt als musicus.
Hoe herken jij bij jezelf het verschil tussen een leerling die streeft naar kwaliteit en een leerling die zichzelf straft voor het ontbreken ervan?
Perfectionisme is geen hoge standaard — het is angst die eruitziet als ambitie.