← Journal
Uit het Leslokaal · Stefan van de Brug · 3 min lezen

Waarom leerlingen niet oefenen

Het probleem is meestal niet discipline.

Een paar jaar geleden had ik een leerling die bijna nooit oefende. Tenminste, dat dacht ik. Hij kwam trouw naar zijn lessen, was betrokken tijdens de les en leek plezier te hebben in muziek maken. Toch had hij thuis zelden gedaan wat we hadden afgesproken. Elke week probeerde ik hem opnieuw te motiveren met nieuwe doelen, andere oefeningen of een aangepaste aanpak, maar veel verschil maakte dat niet.

Op een gegeven moment stelde ik hem een andere vraag. Niet waarom hij niet had geoefend, maar of hij het eigenlijk nog wel leuk vond. Hij keek me verbaasd aan en antwoordde vrijwel direct dat hij muziek maken nog steeds leuk vond, vooral tijdens de les. Dat antwoord zette me aan het denken. Misschien was ik niet bezig met het juiste probleem.

Veel docenten beschouwen oefenen als de graadmeter voor motivatie. Wanneer een leerling niet oefent, ligt de conclusie snel voor de hand: te weinig discipline, te weinig doorzettingsvermogen of te weinig interesse. In de praktijk blijkt de werkelijkheid vaak complexer. Oefenen is immers geen oorzaak, maar gedrag. En achter gedrag zit bijna altijd een reden.

Soms voelt een leerling zich onzeker over zijn eigen kunnen. Soms zijn de opdrachten te groot of te onduidelijk. Een andere keer ontbreekt het gevoel van vooruitgang, waardoor de investering niet meer in verhouding lijkt te staan tot de opbrengst. Ook komt het regelmatig voor dat een leerling simpelweg niet meer weet waarom hij ooit begonnen is.

Daar komt nog iets bij. Veel mensen gaan ervan uit dat motivatie voorafgaat aan actie. We wachten tot we zin hebben om te oefenen en verwachten vervolgens dat het oefenen vanzelf volgt. Bij muziekonderwijs zie ik vaak het tegenovergestelde gebeuren. Een leerling probeert iets uit, merkt dat het lukt, ervaart een klein succes en krijgt daardoor juist meer motivatie om verder te gaan.

Plezier Oefenen Vooruitgang Meer plezier
De motivatie-cyclus

Dat verklaart ook waarom sommige leerlingen opvallend consistent blijven oefenen. Het zijn lang niet altijd de meest getalenteerde leerlingen. Vaak zijn het leerlingen die regelmatig ervaren dat hun inspanning resultaat oplevert. Ze horen verschil, voelen ontwikkeling en zien zichzelf dichter bij hun doel komen.

Wanneer een opdracht meerdere weken achter elkaar niet wordt uitgevoerd, stel ik mezelf tegenwoordig eerst een andere vraag. Niet waarom de leerling het niet doet, maar waarom hij het wel zou doen. Dat verlegt de aandacht van de leerling naar de opdracht zelf. Is deze duidelijk? Is deze haalbaar? Sluit deze aan bij wat de leerling wil leren?

Veel oefenopdrachten zijn groter dan we denken. Een docent zegt bijvoorbeeld: oefen dit nummer, of werk aan je timing. Dat klinkt logisch vanuit vakinhoudelijk perspectief, maar voor een leerling kan zo’n opdracht verrassend abstract zijn. Hoe groter en vager de opdracht, hoe kleiner de kans dat iemand daadwerkelijk begint. Kleine, concrete stappen werken vaak beter.

Door de jaren heen ben ik daarom anders naar oefengedrag gaan kijken. Wanneer een leerling niet oefent, zie ik dat minder als een gebrek aan discipline en meer als informatie. Het gedrag vertelt een verhaal. Soms zegt dat verhaal dat iets te moeilijk is. Soms dat de opdracht niet duidelijk genoeg was. Soms dat het leven simpelweg even te vol zit.

De volgende keer dat een leerling weinig heeft geoefend, kan het daarom interessant zijn om niet direct te vragen waarom het niet gelukt is. Een vraag als hoe ging het thuis met deze opdracht, of waar liep je tegenaan, opent vaak een veel waardevoller gesprek. Niet omdat het oefenen dan ineens vanzelf gaat, maar omdat je dichter bij het werkelijke probleem komt. En dat werkelijke probleem is lang niet altijd een gebrek aan discipline.

Vooruitgang creëert motivatie veel vaker dan motivatie vooruitgang creëert.