Waarom langzaam vaak sneller is
Over het verschil tussen doorhollen en aankomen.
Ik had een student, een tiener, die het ene nummer al naar het volgende afronde terwijl ik het nog aan het uitleggen was. Snel van begrip, enthousiast, nooit onwillig. Toch liep hij na een halfjaar vast. Niet op een moeilijk stuk, maar op iets fundamenteels: hij kon de dingen die hij al “kende” niet meer betrouwbaar spelen onder druk. Te snel verder gegaan. Te weinig laten landen.
Dat patroon zie ik vaker dan ik zou willen. Niet alleen bij vlugge leerlingen. Ook bij mezelf als docent, in de jaren dat ik nog dacht dat lestijd primair over stof gaan moest.
Langzaam gaan voelt als verliezen. Alsof je de leerling tekortdoet als je langer op hetzelfde blijft hangen. De ouders vragen soms hoever het is gevorderd. Het kind wil ook iets nieuws, want nieuw voelt als groeien. En eerlijk gezegd wil ik zelf ook vooruitgang zien — dat is het bewijs dat ik goed bezig ben.
Maar vooruitgang is geen afstand. Het is grip.
Wat ik bedoel: een passage die iemand met 60% zekerheid kan spelen, levert minder op dan een passage die hij met 95% zekerheid beheerst. Niet omdat die zekerheid mooi is op zichzelf, maar omdat hoge betrouwbaarheid de basis is waarop alles volgende gebouwd wordt. Een wankele basis geeft een wankele bovenverdieping, hoe mooi die er ook uitziet.
Het opmerkelijke is dat leerlingen die ik bewust vertrag — die ik een passage écht laat vastzetten voor we verdergaan — uiteindelijk sneller gaan dan de anderen. Niet omdat ze harder werken, maar omdat ze minder herhalingen nodig hebben op het volgende niveau. Ze hoeven niet meer terug.
Er zit ook iets psychologisch in. Een leerling die iets zeker weet, loopt anders een les in dan een leerling die hoopt dat het goed gaat. Zekerheid geeft ruimte. Ruimte maakt nieuwsgierig. En nieuwsgierigheid is van alle dingen die ik in een les kan cultiveren de meest duurzame.
Toch blijft het moeilijk om jezelf te remmen. Er is een moment in bijna elke les waarop ik voel dat ik iets nieuws kan introduceren. De leerling speelt het goed, de energie is er — nu dan, dacht ik vroeger. Tegenwoordig wacht ik soms bewust nog een minuut. Laat het nog een keer spelen. Kijk of het houdt zonder dat ik erbij sta. Omdat “het gaat wel” anders is dan “het zit”.
Langzaam gaan vraagt ook iets van de communicatie met ouders en leerlingen. Ik probeer het gesprek te verschuiven van “wat hebben we behandeld” naar “wat kunnen we nu echt”. Die twee vragen leveren heel andere antwoorden op. En alleen de tweede zegt iets over of er muziek gemaakt wordt, of alleen over of er stof gepasseerd is.
Er is een docent geweest die ooit tegen me zei: “Alles wat je overslaat, neem je mee.” Ik snapte het toen niet helemaal. Ik snap het nu elke week een beetje beter.
Maar ik vraag me soms ook af: wanneer is langzaam écht langzaam, en wanneer is het gewoon het juiste tempo? En wie beslist dat — de docent, de leerling, of het stuk zelf?
Wie te vroeg naar de volgende stap grijpt, neemt de vorige eigenlijk mee.